Landinwaarts

Een heuvelachtig landschap met droge weilanden waar grote kuddes geschoren schapen rustig rondlopen. Er groeien eucalyptusbomen met grijs-groen blad. De meeste bomen staan solitair, maar soms ook in kleine bosschages. Er tussen staan veel dode bomen. De meeste nog rechtop, ze vormen met hun witte bast en kale takken opvallende silhouetten. We hebben nog niet eerder zo veel kangoeroes gezien. Ze grazen tussen de schapen en gaan rechtop staan als wij langzaam voorbij rijden.

De lucht was somber en grijs, het regende in de verte. De wind ijzig koud. Alles zo grauw, ik vond het landschap die eerste dag helemaal niet mooi. Saai, rommelig. Ik kreeg een mistroostig gevoel van de dorre weilanden en magere schaapjes. Naast de afgelegen boerderijen, zo karakteristiek voor hier gelijkvloers met aan veranda rondom, zag ik schuren van oude golfplaten en graansilo’s in dezelfde onopvallende kleur. Om de huizen lagen roestige autowrakken en vieze oliedrums. En, niet te negeren, langs de weg zagen we heel veel doodgereden kangoeroes…

We waren onderweg naar Dubbo, want we waren zo benieuwd wat er achter de Blue Mountains te zien zou zijn. Dus reden we vanaf Sydney ongeveer vijf uur landinwaarts. Dat is natuurlijk slechts een fractie van dit continent, maar de natuur is al echt anders dan de groene, afwisselende nationale parken in en om Sydney. De weg naar Dubbo was beter onderhouden dan we verwacht hadden en deed mij een beetje denken aan de Nederlandse provinciale wegen. De weg slingerde tussen en over de heuvels, maakte af en toe een flauwe bocht en net wanneer ik dacht dat het de enige verharde weg in dit gebied moest zijn, kwamen we weer op een T-splitsing. Een enkele keer reden we door een klein gehucht met een paar eenvoudige huizen, die ongezellig oogden door de bende eromheen. Rob en ik grinnikten om de bezorgde opmerking van Casper die zich afvroeg of we nog in de file terecht zouden komen. Ondanks de schoolvakantie was het heel rustig op de weg. Dichterbij onze eindbestemming zagen we in de berm en op omgeploegde akkers de rode kleur aarde waar met name Anne zo naar uitgekeken had.

Dubbo heeft ongeveer 45.000 inwoners, maar het voelde alsof we een dorp binnenreden. Vrijstaande huizen op ruime kavels, brede straten, parken en grote sportvelden. Ruimte. Rob en ik waren allebei verrast dat we na een dag reizen opeens weer in een stad waren. Zo afgelegen, maar Dubbo blijkt een lange geschiedenis te hebben als Aboriginal nederzetting en later vestigden de Engelse kolonisten zich er met hun schapen en rundvee. Erg sfeervol vond ik de stad niet, maar we raken gewend aan de meer functionele uitstraling van Australische restaurants en winkelstraten. We overnachtten met z’n vieren in één motelkamer. Zo’n echte, met de deuren van alle kamers aan de parkeerplaats.

En toen we in zonnig, helder, maar koud winterweer Dubbo en de omgeving aan het verkennen waren, begon ik het landschap anders te zien. De weidsheid, de grijs-groene kleur die overal in terugkomt en de glooiende heuvels werden steeds mooier. Het grote aantal kangoeroes maakte het leuk. We hebben zelfs een wombat gezien! We genoten van de uitgestrektheid, rust en de gemoedelijke sfeer. Ik was erg onder de indruk van de zonsondergang. Elke avond weer kleurde de lucht rond vijf uur in grote, horizontale vlakken roze, paars en koningsblauw. Het stoffige land veranderde in zacht gele, oranje en zelfs roze tonen. De omgeving werd steeds mooier. Het had iets weg van Toscane, iets van Hoch Sauerland, maar dan veel grootser; het geeft je een gevoel van rijkdom en eenzaamheid tegelijkertijd.

Na drie dagen vertrokken we uit Dubbo. Op weg naar Cowra, 200 kilometer naar het zuiden, vermeden we de hoofdwegen en reden we soms een half uur zonder andere weggebruikers tegen te komen. Casper voelde zich daardoor niet helemaal op zijn gemak. Houten palen met elektriciteitskabels duidden erop dat ergens achter de heuvels een boerderij moest staan. We moesten allemaal een beetje wennen aan het verlaten gevoel dat het land bij ons opriep. Naar het zuiden werd het landschap groener. Bossen wisselden de weilanden af. Ik zag prachtige, grote Aloë Vera groeien naast de weg, weer in diezelfde grijs-groene tint. Drooggevallen kreken in diep uitgesleten beddingen, waarin de rode aarde goed zichtbaar is, vormen grillige scheuren in het dal. De eucalyptusbomen verraden de loop van de kreek door het landschap. Boven op de heuvels liggen enorme keien. Het moet een gigantisch werk zijn geweest om het land te ontginnen. Kangoeroes zagen we overal.

Bij een van de eerste dorpjes waar we doorheen reden, stond een groot bord dat er geen brandstof te koop was, wat het avontuurlijke reisgevoel direct vergrootte. Hoewel Rob er ’s ochtends aan gedacht had te tanken, vroegen de kinderen gedurende de rest van de reis geregeld naar het brandstofpeil. De dorpen in ‘colonial style’ of late Victoriaanse stijl vond ik net openlucht musea, maar ik had niet de indruk dat de bewoners dat ook zo zagen. Prachtige panden met decoratieve, gietijzeren balkons, ver overstekende veranda’s, glas in lood ramen, bruin en diepblauw geglazuurde tegeltjes op de gevels en Jugendstil-achtige etalageruiten. Rob waande zich in het Wilde Westen.

De weg strekte zich voor ons uit met af en toe een flauwe bocht. Vlakbij Parkes is de 64 meter brede radio telescoop een opvallende verschijning in het land. Het is een van de radioantennes die werden gebruikt voor het ontvangen van live, op televisie uitgezonden, beelden van de maanlanding met de Apollo 11. We hadden het geluk om ‘The Dish’, vlak voor we weer wilden doorrijden, op zijn kant te zien draaien.

Tegen de schemer, met weer een prachtige zonsondergang, keek ik met Rob mee naar achteloze kangoeroes in de berm zodat we veilig en wel bij ons motel in Cowra zouden aankomen. Cowra bleek een charmant stadje met een unieke geschiedenis. In augustus 1944 deden meer dan duizend Japanse krijgsgevangen een ontsnappingspoging uit het gevangenkamp aldaar. Veel in de omgeving herinnert op een mooie manier aan die geschiedenis.

In voorbereiding op deze vakantie had ik me thuis georiënteerd op de ‘outback’. Maar ik kwam er al snel achter dat we daar minstens 10 uur verder voor hadden moeten rijden. Het heuvelland met de gele weilanden, de grijs-groene bomen, drooggevallen kreken en authentieke dorpen in het kraakheldere winterweer waren een prachtige ontdekking voor nu. Een nieuw landschap.

Wil je het ook van de andere kant bekijken? Volg mijn blog door in de rechter kolom je mailadres in te vullen. 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s